Om uw bezoek aan onze website te optimaliseren, gebruiken wij cookies. Door verder te gaan, stemt u daarmee in. Lees meer over het gebruik van cookies.

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close

ontmoeting

Een menselijke plicht

Interview met Rein Antonissen, directeur van Vluchtelingenwerk Vlaanderen

Interview met Rein Antonissen, directeur van Vluchtelingenwerk Vlaanderen

Vluchtelingenwerk Vlaanderen zet zich, net als haar Franstalige zusterorganisatie CIRÉ, in voor een menswaardige bescherming van asielzoekers en vluchtelingen. De vereniging coördineert een eigen opvangnetwerk en is ook actief rond integratie. De dictafoon voor een interview met Rein Antonissen, directeur van Vluchtelingenwerk, ligt klaar in de bloembak van het Antwerpse café Den Draak. Omringd door bloemen en fijne mensen geniet hij nog na van een welverdiende vakantie.
(long read, +/- 8 minuten)

Hoe was uw jaar?

Waanzinnig. De laatste twee legislaturen was de overheid bezig het aantal opvangplaatsen af te bouwen, telkens als gevolg van een teruglopend aantal vluchtelingen en als besparingsmaatregel. Er wordt meer en meer ingezet op grote structuren en niet langer geïnvesteerd in kleinschalige opvangmodellen. Wat Vluchtelingenwerk Vlaanderen, onze Franstalige tegenhanger CIRÉ en gemeenten doen, valt onder kleinschalige opvang. Wij helpen vluchtelingen en asielzoekers met de zoektocht naar een eigen woning en onze consulenten beantwoorden hun vragen en maken hen wegwijs in administratieve procedures. Een school voor hun kinderen, bijvoorbeeld, moeten ze zelf zoeken. Mensen worden verondersteld hun eigen leven hier uit te bouwen en net zo voor zichzelf te zorgen als ze deden vóór ze hun land verlieten. Wel ontvangen ze kwalitatieve begeleiding. Daar zit het fundamentele verschil met de grote, collectieve opvangplaatsen. In die centra is alles vastgelegd in procedures en grootschaliger uitgebouwd. Dat kan je ook letterlijk zo zien. Mensen slapen er vaak in zalen, niet in slaapkamers, of eten in een cafetaria. Tot in 2015 werd er structureel afgebouwd, vooral bij degelijk uitgebouwde, kleinschalige modellen. Maar de grootschalige structuren waren ook niet toereikend. Nochtans had de overheid beter voorbereid kunnen zijn.

U had de toeloop verwacht?

Ja. Die wás ook voorspelbaar. We wisten bijvoorbeeld dat er veel mensen zouden vertrekken uit Iran, Jordanië en Turkije. Je kon dat zien aankomen, omdat het leven in de kampen in die landen onmogelijk werd en het niet langer veilig was. Mensen hadden geen inkomen en de levenskwaliteit nam af. Wat doe je als je niet meer veilig bent? Niets meer hebt? Als je je kinderen niets meer kunt bieden, zelfs geen garanties aangaande hun gezondheid? Je vertrekt. Als je hier geraakt na een lange en gevaarlijke reis, ga je ‘s ochtends naar de Dienst Vreemdelingenzaken, om je te laten registreren, op de middag ontvangen wij je in ons Startpunt voor informatie en een kom soep en nadien krijg je door Fedasil een opvangplaats toegewezen. Vanaf mei 2015 tekenden wij een grote toename op van het aantal mensen dat arriveerde in ons Startpunt. Vaak erg kwetsbare mensen. De daaropvolgende maanden werden het er steeds meer. Door die plotse toename en de afbouw aan opvangplaatsen die eraan vooraf ging, was Fedasil niet klaar. In augustus stopte de overheid met mensen te registreren. Staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken zette de limiet op 200 registraties per dag, maar soms stonden er wel 1000 mensen aan te schuiven. Mensen moesten op straat blijven en dan had je toestanden als in het Maximiliaanpark in Brussel en geïmproviseerde opvangplaatsen, die niet altijd aan de standaard beantwoorden. In 2012 hadden we een dergelijke situatie al eens meegemaakt, maar in 2015 was de fall-out van het overheidssysteem nog dramatischer.

Hoe verloopt de samenwerking met andere organisaties?

CIRÉ, onze Franstalige zusterorganisatie, is structureel en qua geschiedenis zo goed als gelijk aan Vluchtelingenwerk Vlaanderen. Ze doen precies hetzelfde werk, met gelijkaardige middelen en dus ook dezelfde uitdagingen. Wij werken heel intensief samen, houden bijna wekelijks overleg en onze Raden van Bestuur zijn samengesteld met vertegenwoordigers uit dezelfde organisaties. De samenwerking is dus heel geïntegreerd. Soms werken we rond andere thema’s, maar in essentie is er weinig verschil. We vangen samen de laatste jaren tussen de 700 à 1500 mensen op.

“Wij hebben zo veel fantastische, getalenteerde jongeren en kinderen in onze werking, waarvan je gewoon weet dat ze binnen vijf jaar hun eigen succesverhaal zullen kunnen vertellen.”

Rein Antonissen

Hoe is jullie relatie met de overheid?

Wij hebben 25 jaar lang heel goed samengewerkt. Altijd zaten er wel parlementairen in onze Raad van Bestuur of in de adviesgroepen. Ook onze overeenkomsten en samenwerking met het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen verliepen altijd prima, idem voor Fedasil. Met de Dienst Vreemdelingenzaken was het soms wat lastiger, maar dat komt omdat zij ook op thema’s zitten als verblijf en detentie. De afgelopen twee legislaturen kan je vaststellen hoe de politieke agenda veel meer gebaseerd is op afschrikking in plaats van bescherming en is er een verharding merkbaar in het klimaat. Het nieuwe politieke bestuur is veel minder opgezet met een kritische blik van het middenveld. De essentie van onze opdracht bestaat uit het waken over de rechten van asielzoekers en vluchtelingen. Al 25 jaar doen wij voornamelijk dat: kijken of de overheid haar werk daarin goed doet. Een kritische houding tegenover die overheid is dus ingebakken in onze identiteit. Wat niet wegneemt dat wij veel vrienden hebben in al die structuren, mensen die ons project welgezind zijn, mee ideeën ontwikkelen en informatie uitwisselen.

Hoe reageert het middenveld op die ontwikkelingen?

Sinds 2011 is op alle niveaus een evolutie voelbaar waarbij de overheid op zoek gaat naar actoren in het middenveld die taken – vaak goedkoper en efficiënter – uitvoeren. Ze stoten een aantal taken af en spelen die alleen nog door naar organisaties die puur op het uitvoerende willen werken. De organisaties worden niet verondersteld mee te denken, noch in een dialoog te treden. In andere landen zien we dat ook, maar in België verliep de samenwerking met het middenveld altijd tamelijk gemoedelijk. In de praktijk komt het vandaag neer op drie mogelijkheden: voortdoen en zwijgen, jezelf opdoeken of private werkingsmiddelen opzoeken zodat je kritische stem kan blijven klinken. Nog een verschuiving is die naar meer projectmatige werkingen. Je werk opdelen in aparte, afgelijnde projecten is plezierig en het houdt je organisatie fris, maar voor je structurele werking is zoiets rampzalig. Nog een evolutie is dat terwijl organisaties vroeger in een hechte Europese samenwerking functioneerden, die transnationale samenwerking vandaag wel wat klappen krijgt. En middelen verschuiven voelbaar naar grensbewaking en spelers die daarrond actief zijn.

“Een kritische houding tegenover de overheid is ingebakken in onze identiteit. Wat niet wegneemt dat wij veel vrienden hebben in al die structuren, mensen die ons project welgezind zijn, mee ideeën ontwikkelen en informatie uitwisselen.”

Rein Antonissen

Hoe verhoudt het Belgische vluchtelingenbeleid zich tot dat van de ons omringende landen?

Gelukkig is de kwaliteit van onze asielprocedure die mensen op de vlucht beschermt, nog zeer hoog. Mensen vergeten dat wel eens, maar wij hebben een uitstekend systeem om mensen te beschermen. Vergeleken bij andere landen als Frankrijk en de rest van Zuid-Europa, hebben wij een hoge erkenningsgraad, de procedure verloopt tamelijk snel en de interviews zijn van een hoog niveau. De opvang is ook jarenlang van hoge kwaliteit geweest. Als je dat vergelijkt met bijvoorbeeld Griekenland of Turkije, waar mensen letterlijk achter prikkeldraad worden vastgehouden, soms zelfs zonder drinken, niet worden begeleid, geen kansen krijgen om hun plek te vinden, mogen we zeker niet klagen.
We zien echter vandaag ook in België dat het systeem onder druk komt te staan. Oorzaken zijn de bewuste strategie om af te bouwen en een minder strikte toepassing van de eigen kwaliteitsnormen. Mensen hebben recht op privacy en begeleiders, dat zijn de voorschriften. Maar in veel centra is dat niet langer het geval. Dat is een heel grote zorg voor ons.
Een derde oorzaak is de afgenomen steun van de bevolking. Daar zijn we ook bezorgd over. Een onderzoek uit 2005 toonde aan dat 60 à 70 % van de Vlamingen positief stond tegenover asielzoekers en vluchtelingen. In 2009 lag dat percentage al een stuk lager. Mensen blijken eerder negatief te staan ten opzichte van asielzoekers en vluchtelingen. Het wordt voor die groep dan ook moeilijk om een huis te vinden, werk of een plaats in de samenleving. Bovendien zijn zij opeens de spil in discussies over zaken die voor hen niet belangrijk zijn. Denk maar aan de polemiek over multiculturaliteit. Dat zijn heel heftige discussies, maar daar heeft een vluchteling niets aan. Die wil eerst weten waar hij kan gaan wonen en waar zijn kinderen naar school kunnen gaan, hoe hij een inkomen kan genereren.
Kortom: de context waarin wij werken is op tien jaar tijd veel veranderd. Toen kregen we geen haatmails, nu zijn ze schering en inslag. Wij worden beschouwd als de advocaat van een groep mensen die volgens die briefschrijvers geen rechtszekerheid of hulp verdient. Dat het verre van een homogene groep is, komt overigens niet bij hen op.

 

Daarnaast is er een grote groep mensen die wel willen helpen. Tal van burgerinitiatieven geven blijk van solidariteit.

Heel veel mensen willen iets doen. Ze richten vzw’s op, structureren zichzelf. Particulieren organiseren zich. Vaak gaat het om lokale organisaties, zoals in Zeebrugge, of de transnationale initiatieven door vzw’s in Brussel en Antwerpen die vrachtwagens inleggen met hulpgoederen voor de kampen in Calais, Bosnië, maar ook Turkije en Aleppo. Zulke verenigingen komen vaak bij ons of CIRÉ terecht om raad of hulp te vragen. Apothekers verenigen zich om medicijnen naar oorlogsgebieden te sturen of brengen. Behalve die particuliere initiatieven is er ook de mogelijkheid om aan te sluiten bij overheidsstructuren, bijvoorbeeld het systeem met de buddy’s.
Mijn vraag blijft wel altijd: gaat het verder dan die – zeer welkome – wil om te helpen? Kunnen we meer doen? En wie waakt erover dat mensen de procedure correct volgen? Is er kwalitatieve opvang? Mensen willen in de eerste plaats toffe dingen doen, die vaak ook heel nuttig zijn, maar dat is niet altijd genoeg. We moeten kritisch blijven dat een aantal standaarden worden gerespecteerd. Het is fijn dat veel mensen willen helpen om een centrum in te richten, dekens op te hangen, toiletten te poetsen, een klas in te richten, maar is zo’n structuur geschikt voor een verblijf van langer dan zes maanden voor mensen die net de gruwel van een oorlog hebben achtergelaten?

 

Refugee Walk
Walk the World

Uit solidariteit met vluchtelingen die vaak lange afstanden moeten afleggen, organiseert Vluchtelingenwerk Vlaanderen deze zondag, 2 oktober, de Refugee Walk: een gesponsorde wandeling van 40 km door de Hoge Kempen, ten voordele van het Startpunt van Vluchtelingenwerk. 25 medewerkers van Triodos Bank, hun vrienden en familie stappen mee. refugeewalk.be

 

 

Wat zou er moeten gebeuren om de particuliere, vaak één-op-één hulp die nu bestaat, op te schalen naar een structureel niveau? Kunnen organisaties als CIRÉ en Vluchtelingenwerk Vlaanderen dat op zich nemen, of moet het vanuit de overheid komen?

Wij doen dat al, maar dan binnen onze expertise. Net als Dokters van de Wereld en Caritas, bijvoorbeeld. Zo hebben wij een grootschalig initiatief ondersteund en mee georganiseerd rond informatieverstrekking. Met medewerking van 400 vrijwilligers, stapten wij rond in de Brusselse Noordwijk om informatie te geven en mensen te wijzen op hun rechten.
Dokters van de Wereld deed hetzelfde met artsen en apothekers, Caritas met een project rond huisvesting. Je zuigt een aantal van die initiatieven op. Wat mij betreft hoeft daar geen nieuwe structuur rond opgebouwd. Je moet wel helder communiceren waar mensen met hun hulpgoederen terecht kunnen.

 

“Aandacht hebben voor de SDG’s, voor een werkbare migratie en ontwikkelingsdoelstellingen die meer kansen creëren, mensen en economieën vooruit stuwen is een menselijke plicht.”

Rein Antonissen

Welke rol is hier weggelegd voor de media?

Journalisten en redacteurs hebben vandaag gewoon niet genoeg tijd en middelen om aan onderzoeksjournalistiek te doen. Vaak is het resultaat een zeer eenzijdig discours. Het kader waarbinnen over vluchtelingen en asielzoekers wordt bericht, stopt bij de problematiek. Als je wil praten over een vluchtelinge uit Ethiopië die op haar zevende hier aankwam en intussen als directiesecretaresse bij Hewlett & Packard werkt, twee kinderen heeft en een man met een eigen restaurant, is niemand geïnteresseerd. Of die Albanese vrouw die dertig jaar geleden de oorlog in Albanië ontvluchtte, hier een leven uitbouwde en haar eigen reisbureau opstartte en nu op het punt staat om terug te keren. Je moet al een straffe journalist vinden met veel tijd en heel veel zin om dat interview af te nemen en een krant of tijdschrift die het wil publiceren.

Terwijl het toch goed nieuws is?

Inderdaad. Wij hebben zo veel fantastische, getalenteerde jongeren en kinderen in onze werking, waarvan je gewoon weet dat ze binnen vijf jaar hun eigen succesverhaal zullen kunnen vertellen, maar dat valt dus blijkbaar in dovenmansoren. Een ander voorbeeld van selectieve berichtgeving is de omissie van bepaalde pijnpunten.
Welke journalist analyseert het Belgische opvang of detentiesysteem? De tenten in het Maximiliaanpark domineerden een tijd lang het nieuws, maar de achterliggende analyse van die situatie heeft niemand gemaakt. Dus doen wij dat zelf en proberen die informatie naar buiten te brengen. Dan komen we erop uit: de overheid heeft sterk afgebouwd, de Staatssecretaris beslist om een heel beperkt aantal mensen te registreren en er is een verhoogde instroom. Dat zijn de drie elementen aan de basis van wat er toen gebeurde.

Als u de situatie nu bekijkt vanuit vogelperspectief, wat valt u dan het meeste op?

Tien jaar geleden waren er wereldwijd 52 miljoen mensen op de vlucht. Vandaag tellen we er 62 miljoen en meer instabiliteit aan de rand van Europa. De meeste mensen – meer dan 93 % blijven binnen de eigen landsgrenzen, of zitten vast in kampen in de regio, onder meer Turkije, Jordanië en Pakistan, Afrika ook, maar niet in Europa. Die mensen willen net als jij en ik vooruit in het leven. Zij beseffen ook dat zij en hun kinderen in de kampen geen toekomst hebben en luisteren – net als jij en ik zouden doen – dus ook niet naar onze politici die hen proberen af te raden om hierheen te komen. Iedere vluchteling waar je mee praat, wil eerst veiligheid voor zichzelf en zijn gezin, en in de tweede plaats een leven uitbouwen. Een politicus die zegt: “Dit gebeurt niet meer en ik ga hen tegenhouden,” zal heel hoge muren moeten bouwen en praat onzin. Je kan die mensen niet tegenhouden. Jij zou je ook niet laten tegenhouden. Mensen zullen altijd het risico nemen om hier te geraken.
Wij kunnen wél kiezen hoe we daarop reageren. Dat kan zijn zoals Duitsland, met een snelle procedure en een dosis gastvrijheid of zoals hier, vasthouden aan dat onrealistische verhaal van de gesloten grenzen en de ‘problematiek’. Die is overigens relatief: in België zijn in 2015 minder mensen gearriveerd dan in 2000, na de oorlog in voormalig Joegoslavië.

Kan een initiatief als Agenda 2030, de SDG’s, een verschil maken denkt u? Bent u daar zelf mee bezig?

Wij hebben in het verleden veel gewerkt rond de millenniumdoelstellingen. Op dit moment ligt de agenda in de praktijk al even naast ons, omdat de prioriteiten de correcte procedure en de opvangcrisis waren. Over het nut van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen kan ik heel kort zijn. Op het moment dat jouw veiligheid, je inkomen, onderwijs, ontwikkeling of wat dan ook, dreigen weggevaagd te worden, vertrek je. Veel Senegalese vissers zijn weggejaagd door grote Spaanse visserijen. Er bleef geen vis over voor hun kleine boten en netten. Waar zijn ze nu? Aan de Spaanse stranden, waar ze prullaria verkopen om rond te komen. Dus aandacht hebben voor de SDG’s, voor een werkbare migratie en ontwikkelingsdoelstellingen die meer kansen creëren, mensen en economieën vooruit stuwen is een verdomde plicht.

 

Wat is Vluchtelingenwerk Vlaanderen?

Vluchtelingenwerk Vlaanderen zet zich in voor een menswaardige bescherming van asielzoekers en vluchtelingen. Dat doet de organisatie niet alleen, maar met 50 lidorganisaties en heel wat enthousiaste vrijwilligers. De vereniging coördineert een eigen opvangnetwerk en is ook actief rond integratie. Ze ondersteunt iedereen die asielzoekers en vluchtelingen bijstaat, met deskundige informatie, vormingen, publicaties en uitgebreide helpdesks. Onder meer vanwege de slechte staat van haar huurlocatie in Schaarbeek besloot Vluchtelingenwerk Vlaanderen te investeren in een eigen gebouw in de Kruidtuinstraat, samen met de organisaties Dokters van de Wereld, Réseau Financement Alternatif (RFA) en SAW-B (een vereniging die opkomt voor een sociale economie). Voor de aankoop van het gebouw heeft Triodos Bank een krediet verleend aan Vluchtelingenwerk Vlaanderen, naast kredieten aan Dokters van de Wereld en RFA.

 

Wat vindt u van "Een menselijke plicht"?

Gelieve een comment te schrijven.

Gelieve uw naam in te geven.