Om uw bezoek aan onze website te optimaliseren, gebruiken wij cookies. Door verder te gaan, stemt u daarmee in. Lees meer over het gebruik van cookies.

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close

dossier

Erfgoed is van iedereen

Erfgoed als verbindende factor in een toekomstbestedige economie

Erfgoed als verbindende factor in een toekomstbestedige economie

2018 wordt het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed. Dat het jaar er komt is onder meer te danken aan het Centrum Raymond Lemaire en de andere onderzoekers achter het rapport Cultural Heritage Counts for Europe. De manier waarop we met ons cultureel & onroerend erfgoed omgaan is toe aan een make-over. De Kleur van Geld sprak erover met professor Koen Van Balen, een van de onderzoekers.

Overlap in het klaverblad

Op 25 september 2015 werden de millenniumdoelen vervangen door de SDG’s. Tijdens de voorbereidingen van deze globale agenda werd in de Hangzhou verklaring van UNESCO cultuur geïdentificeerd als de vierde pijler van duurzame ontwikkeling. Dit concept werd ook gebruikt in het rapport, Cultural Heritage Counts for Europe dat de impact van cultureel erfgoed in Europa onderzocht.

Het resultaat van de studie is samengevat in onderstaand klaverblad (afbeelding). De onderzoekers benoemden de verschillende manieren waarop erfgoed een invloed kan uitoefenen op de samenleving: sociaal, cultureel, ecologisch en economisch.

Een van die onderzoekers was Koen Van Balen, directeur van het Raymond Lemaire International Centre for Conservation van de KU Leuven. Wij spraken met hem over de zin van erfgoed, en hoe gebouwen uit het verleden kunnen bijdragen tot het verduurzamen van ontwikkeling.

Wat maakt dit rapport zo bijzonder?

UNESCO’s verklaring van Hangzhou onderkent de bijdrage van cultuur, naast die van economie, gemeenschap en ecologie in duurzame ontwikkeling. Dat was het vertrekpunt. Het schema toont aan dat hoe meer overlap je creëert, hoe duurzamer ontwikkeling wordt. Op die manier krijgt erfgoed meer impact dan nu in de strategische ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) is vermeld.

Een essentiële bevinding was dat er veel projecten bestaan die niet in de eerste plaats draaien om de financiering van cultureel erfgoed, maar die het erfgoed effectief inzetten om aan economische, sociale en culturele ontwikkeling te doen. Dat heeft ons tot dit concept van het klaverblad gebracht.

Je hebt mensen en organisaties die onroerend erfgoed onder een stolp willen zetten. Vandaag is dat niet meer te verantwoorden. De drijfveren zijn anders. Maatschappelijk zijn heel wat dingen aan het veranderen. Migratie, de (on)gelijkheidsdiscussie en we kunnen niet onbeperkt grondstoffen blijven ontginnen. Heel het maatschappelijk denken oefent druk uit op de manier waarop we dingen organiseren en dat geldt ook voor de erfgoedsector, die mee beweegt naar een meer geïntegreerde aanpak. We moeten de erfgoedwaarden breder bekijken, ook in termen van hun socio-economische ontwikkelingspotentieel.

Een toren om zich te oriënteren

Het rapport heet Cultural Heritage Counts for Europe. Waarom is het zo belangrijk dat we zorg dragen voor ons erfgoed?

Daar zijn tal van redenen voor: de rol van die gebouwen als referentiepunt en als kenmerk van een plek, de sociale component waarbij erfgoed als bindmiddel dient voor gemeenschappen en de enorme schat aan kennis die het erfgoed herbergt, om er maar enkele te noemen.

Kijken we naar de rol van gebouwen als referentiepunt. Gebouwen spelen een grotere rol in een mensenleven dan je zou denken, en niet alleen emotioneel: het is nu ook wetenschappelijk bewezen. In 2014 wonnen neurowetenschapper John O’Keefe en het echtpaar Moser de Nobelprijs voor hun onderzoek naar onze ‘ingebouwde gps’. Hun bevindingen toonden aan dat mens en dier zich oriënteren dankzij rastercellen in ons brein, die gelinkt zijn aan herinnering. Plaats en herinnering zijn dus gekoppeld in ons brein. Erfgoed helpt mensen zich te oriënteren in ruimte en tijd, maar erfgoed is ook iets wat je deelt in een gemeenschap.

Kan u daar een voorbeeld van geven?

Onlangs vertelde iemand tijdens een conferentie over de afbraak van een kerk in Normandië. De kerk was ‘niet meer nodig’. De afbraak lokte heel wat volk, want het was een klein dorp waar niet veel gebeurde. De dag nadien waren de bewoners compleet ontredderd: “Ja maar: hoe moet ik nu zeggen waar je naar links moet afslaan? Hoe moet ik uitleggen waar ik gedoopt, getrouwd ben?” De kerk was voor velen een (fysieke én emotionele) referentie in ruimte en tijd, die nu zomaar weg is.

Wat moeten we begrijpen onder de sociale component in het schema?

Je kan mensen samenbrengen in een buurt door ze samen te laten knutselen of breien, maar je kan ook zeggen: we gaan samen de voorwerpen in de kerk onderhouden. In termen van het verhogen van het sociale welzijn geeft dat dezelfde output, maar de activiteiten creëren meer betrokkenheid door de extra culturele laag.
In Antwerpen heeft de organisatie Levanto de Brabofontein gerestaureerd met migranten in een inburgeringscursus voor nieuwkomers. Die kwamen daarna regelmatig terug met hun gezinnen, om naar ‘hun’ beeld te kijken. Zo creëer je verbinding, die mensen raken verbonden met die plek en haar geschiedenis.

Verwarming is niet het enige dat telt

Toch kiezen we vaak voor afbraak en nieuwbouw.

De bouwsector is over het algemeen vaak pleitbezorger voor afbraak. De voornaamste reden is dat een nieuwbouwproces beter te controleren is. Zelfs als modellen op voorhand dezelfde financiële return aangeven voor nieuwbouw als voor restauratie, zal men vaak toch kiezen voor afbraak en nieuwbouw. Het is veel voorspelbaarder.

Nieuwbouw is wel energiezuiniger?

Energieverbruik minimaliseren is nodig, maar wat betreft erfgoed wordt duurzaamheid te vaak beschouwd vanuit dat oogpunt. Er wordt onvoldoende gekeken naar de ’embodied’ energie die verspild wordt bij afbraak, de energie nodig voor de productie van nieuwe materialen, de vervuiling die ermee gepaard gaat enzovoort. De energie die al in die bestaande structuren en stenen zit, wordt meestal niet meegeteld in de balans. De energie voor klimaatbeheersing is niet het enige dat telt in een gebouw.

Dat is de reden waarom jullie artikel over het Hansa Huis mijn aandacht trok: het gebouw kan niet worden verbouwd in overeenstemming met de energiestandaard zonder het erfgoed gedeeltelijk te vernielen. Maar ter compensatie wordt wel een windmolen gebouwd aan de Schelde. Je kan naast een oud gebouw bijvoorbeeld ook een nieuwbouw zetten die energie oplevert. De som van de twee kan een prima energiepeil hebben. Kortom het gaat om de afbakening waarbinnen je energiebalansen meet.

We kunnen andere manier van aanpakken ontwikkelen. Daarom is het belangrijk dat iedereen zijn ervaringen meebrengt in die denkoefening, ook de financiële sector.

Onroerende economie

De studie ziet veel economisch potentieel in onroerend erfgoed.

Onroerend erfgoed heeft per definitie een lokale impact. Je kan die gebouwen niet verplaatsen (en er dus niet mee naar goedkoper producerende landen trekken). Je kan wel een heel stuk economie op poten zetten rond die gebouwen. Dat is tot nu toe tamelijk over het hoofd gezien.

(c) flickr Federico Grechi

Een trend die al lang bestaat in de Angelsaksische wereld, is het verbinden van een ‘narrative’ aan erfgoedsites waardoor deze verbonden worden in ruimte en tijd. Je bouwt een ontwikkelingspotentieel door het verhaal van een site uit te werken. Dat kan heel leerzaam en productief zijn, zoals in het geval van C-Mine in Genk en het Red Star Line museum in Antwerpen. Het kan ook doorslaan naar de andere kant wanneer erfgoedsites als doel op zich worden aangeboden en veel mensen aantrekken die er niet meteen mee verbonden zijn. De gevolgen zien we nu in Venetië en Barcelona.

Leren restaureren

Hoe gaan we vandaag in België om met ons erfgoed? En in hoeverre verschilt die situatie met die van 30 jaar geleden?

Raymond Lemaire, de oprichter van het Raymond Lemaire International Centre for Conservation kon indertijd de stad Leuven overtuigen het Groot Begijnhof aan de KU Leuven over te laten om het te restaureren.

Het begijnhof dat nu werelderfgoed is, zou worden afgebroken ten voordele van nieuwe sociale woningen. De universiteit kocht het voor een symbolisch bedrag en herwaardeerde het. Hij toonde aan dat de restauratie zelf niet meer kostte dan een nieuwbouw voor studenten en gastprofessoren. Wat mensen weleens vergeten, is dat hij toen met de technische dienst van de universiteit aan de slag is gegaan en vakmensen heeft opgeleid in restauratie: om op de traditionele manier te voegen, kalk te gebruiken, houten ramen te maken.

Misschien zou de universiteit vandaag niet meer dezelfde beslissingen hebben genomen. Maar stel dat zo’n renovatie vandaag zou plaatsvinden: er zou een openbare aanbesteding worden uitgeschreven, die de goedkoopste aanbieder wint. Een van de problemen bij dergelijke projecten is het gebrek aan vakmanschap. Dat is vaak onvoldoende ingerekend in de prijs op basis waarvan men dergelijke opdrachten toekent.

Er is een gebrek aan technische expertise bij de renovatie van oude gebouwen?

Het zou nuttig zijn om daarin te investeren, of om specifieke manieren van samenwerking te organiseren. De Koning Boudewijn Stichting heeft rond 1990 drie waardevolle initiatieven ondersteund die de monumentenzorg in Vlaanderen sterk vooruit hielpen: Monumentenwacht, het Vlaams Centrum voor Ambacht en Restauratie en het Forum voor Erfgoedverenigingen, (voorheen VCM, de Vlaamse Contactcommissie voor Monumenten). Het Centrum voor Ambacht en Restauratie is inmiddels opgedoekt. Het gevolg is dat we door gebrek aan coördinatie van opleiding van vakmanschap, kennis over die ambachten verliezen.

Als je in een stad als Mechelen een lokale dakwerker vraagt om een dakgoot te herstellen van een oude kerk, mist hij vermoedelijk de specifieke competenties nodig voor een historisch verantwoorde herstelling. Wat hij niet weet, is dat er acht zulke gebouwen zijn met precies dezelfde, terugkerende problematiek en dat het wel degelijk de moeite loont om zich erin te bekwamen; en om te investeren in een opleiding voor zijn medewerkers. Niet elke aannemer ziet het zitten om zich te bekwamen in elk deeldomeinen van onderhoud en restauratie. Maar dan zijn er andere mogelijkheden voor samenwerking te bedenken, bijvoorbeeld de oprichting van een (lokale) coöperatie om kennis en vaardigheden te bundelen.

Dat is waar het onderzoek naar materialen in erfgoed ook om draait: we kunnen leren van materialen en bouwtechnieken die eeuwen getrotseerd hebben. Zo blijkt uit recent onderzoek dat kalkmortel die vroeger werd gebruikt dan wel minder sterk is dan cement, maar wel veel flexibeler, waardoor het beter geschikt is om vervormingen, schokken en trillingen op te vangen. Bovendien komt er veel minder CO2 vrij bij de productie van kalk. Vergelijk het met de discussie rond biodiversiteit.

Het voortbestaan van ecosystemen hangt af van het aantal soorten die er nog zijn. Dat kan ons voortbestaan verzekeren. We hebben nu opslagplaatsen met honderden verschillende soorten graan. Mocht er een graansoort worden aangetast door een epidemie, dan hebben we nog andere resistente soorten beschikbaar in een reserve. Zo zijn historische gebouwen een grote bibliotheek van oplossingen inzake duurzaamheid, een heuse kennisdatabank.

Erfgoed gaat niet alleen over de gebouwen, hun sociaal en economisch potentieel en hun rol als oriëntatiepunt, maar ook over kennis. Het herbergt een schat aan informatie waaruit we mogelijk toekomstbestendige oplossingen kunnen halen.

Erfgoed is van iedereen

Welke mogelijkheden liggen in de erfgoedsector voor de burger en voor gemeenschappen?

We horen veel spreken over schaarste en besparingen, in alle sectoren. Er groeien nieuwe vormen van samenwerking en beheer zoals de zogenaamde ‘commons’, samenwerkingsverbanden tussen mensen, los van markt en overheid. In de erfgoedsector in Engeland zie je dat al langer, misschien precies omdat de commons daar meer ingeburgerd zijn. Bij ons zie je dat ook bij de kerkfabrieken, waar mensen ‘hun’ kerk onderhouden. Dat is voor een deel uit geloofsoverwegingen, maar niet alleen, want die gebouwen hebben waarden die gedeeld worden. En het is niet duidelijk aan wie ze toebehoren, wie er de behoeders van zijn: de overheid? De gemeenschap?

De huidige financiële ondersteuningsmechanismes in de onroerend-erfgoedsector vanuit de overheid schieten te kort, ze zijn teveel ‘verkokerd’. Dus moeten we voor de erfgoedsector nieuwe strategieën ontwikkelen. Er is duidelijk een enorme bottom-up interesse om dingen maatschappelijk te doen bewegen.

Ook voor de financiële sector liggen hier kansen door integraal en transversaal te denken, steunend op de vier eerder genoemde pijlers. Een bank als Triodos kan lokale ondernemers en verenigingen die in een dergelijk project stappen financieren, maar ook ondersteunen door haar eigen expertise in te zetten en deskundigen uit verschillende sectoren met elkaar in contact te brengen.

 

16 & 17 september 2017 zijn de Europese erfgoeddagen, met als thema ‘Patrimonium en burgerschap’.

 

Bent u ondernemer of ontwikkelaar en overweegt u te investeren in toekomstbestendig vastgoed of onroerend erfgoed?

Stel uw vragen aan onze experten Real Estate & Infrastructure of maak meteen een afspraak:

credits@triodos.be – 02 548 28 10

 

Foto’s vlnr: (c) flickr: Helena – Mike Knell (Groot Begijnhof Leuven) – Jan de Boer (Smeltfabriek Duisburg)

Wat vindt u van "Erfgoed is van iedereen"?

Gelieve een comment te schrijven.

Gelieve uw naam in te geven.