Om uw bezoek aan onze website te optimaliseren, gebruiken wij cookies. Door verder te gaan, stemt u daarmee in. Lees meer over het gebruik van cookies.

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close

ontmoeting

‘Tijd is onze grootste achilleshiel’

Achim Steiner en de link tussen milieu, economie en tijd

Achim Steiner en de link tussen milieu, economie en tijd

Achim Steiner stond tien jaar lang aan het hoofd van het VN-Milieuprogramma (UNEP). ‘Meer dan ooit wegen milieukwesties vandaag door in het economische beleid en het financiële systeem. Dit is cruciaal voor wat er met onze planeet zal gebeuren,’ zei Steiner tijdens zijn afscheidsrede. We belden hem op in Oxford, waar hij sinds kort directeur is van de Oxford Martin School.

Wat ziet u als uw grootste verwezenlijking tijdens uw tijd bij UNEP?

Een rode draad doorheen mijn mandaat was de link tussen milieuverandering en economisch beleid, deels aangedreven door de strijd tegen de opwarming van de aarde. Klimaatverandering is zich aan het vertalen in wat wellicht de meest significante economische transitie is die de moderne samenleving ooit ondernomen heeft. Als onderdeel daarvan zag ik UNEP als een katalysator voor een nieuw discours over de groene economie.

Startpunt was het idee van de waardering van ecosysteemdiensten of de ecologische infrastructuur (UNEP trok mee de kar van de TEEB-studie, wat staat voor ‘The Economics of Ecosystems and Biodiversity’ die de economische baten van biodiversiteit en ecosystemen onder de loep neemt, nvdr.). Vervolgens schreven we het belangrijke rapport over de groene economie, waarin we voorbeelden verzamelden van hoe landen, gemeenschappen en bedrijven beginnen met via hun beleid de markt te beïnvloeden. De laatste stap in deze trilogie was de UNEP Inquiry over het financiële systeem dat we willen. We moeten de financiële sector namelijk op één lijn brengen met de overkoepelende strategische doelen van onze economieën.

 

Denkt u dat het discours over de link tussen milieu en economie een blijver is?

Absoluut. Soms kan ik me in zekere zin nog steeds verbazen over hoe snel alles gelopen is na het initiële werk in het kader van de TEEB-studie. Noorwegen, Brazilië en het Verenigd Koninkrijk, om maar een paar landen te noemen, hebben hun eigen nationale TEEB-rapporten gepubliceerd. Dat is opmerkelijk, want in de wereld van de Verenigde Naties moeten nieuwe ideeën zoals deze normaal een decennium lang rijpen.

Bewijzen over hoe snel men is beginnen beseffen dat er een band is tussen milieu en economische welvaart, zag ik onlangs nog in hoe het werk van de Inquiry niet enkel in de arena van centrale banken en financiële regulatoren belandde, maar ook in China ingang vond. China werkte een reeks richtlijnen uit voor een groen financieel systeem. Het land legde dit thema ook op tafel tijdens hun voorzitterschap van de G20 met de oprichting van een studiegroep in samenwerking met de Chinese Volksbank. Dit zijn allemaal tekenen dat zowel beleidsmakers als financiële markten en economische spelers een zekere mate van begrip hebben ontwikkeld voor de impact van wat gebeurt met het milieu op de economische stabiliteit en de kansen op toekomstige ontwikkeling.

 

Zullen we dan ook snel verandering zullen zien?

Er zijn verschillende domeinen waarin we volgens mij snel praktische, economische, budgettaire beslissingen zullen zien. Het akkoord van Parijs, het feit dat het tot een akkoord kwam en het snelle overschrijden van de drempels voor de inwerkingtreding, wijzen hier op. Het gaat om biljoenen dollars aan investeringen die in essentie geheroriënteerd worden. Geen investeringen in de economie zoals we die de laatste 50 tot 100 jaar gekend hebben, maar in de economie waar we naar moeten evolueren. Een economie die koolstofarm is en tegen 2050 klimaatneutraal. Op dat vlak denk ik dat we in de komende jaren en decennia een massale verschuiving gaan zien.

Als je alleen al kijkt naar wat er de laatste tien tot vijftien jaar in de sector van de elektriciteitsopwekking gebeurd is, realiseer je je dat eens een economie begint te geloven in een bepaalde beleidsrichting en technologische mogelijkheden, markten zeer snel kunnen evolueren. Daarom zagen we dat in 2015 bijna 50 procent van alle investeringen in nieuwe infrastructuur voor elektriciteitsproductie naar opwekking uit hernieuwbare bronnen ging. Dat is een enorme transformatie en ik denk dat we in de transportsector gelijkaardige dingen zullen zien gebeuren.

Het lijkt velen onwaarschijnlijk dat elektrische wagens een groot deel van de transportmarkt zullen vormen. Maar zo spraken we vroeger ook over de mobiele telefoon. Nochtans zullen er weldra wereldwijd twee miljoen elektrische wagens rondrijden. Nu al snorren 250 miljoen elektrische motorfietsen door de straten van China. De snelle technologische evolutie maakt de automobielsector een interessante tak om op korte termijn in het oog te houden. Ik verwacht daar een grote sprong qua technologie, vraag en beleid.

 

Speelt divestment ook een rol in dit verhaal?

Ik denk dat divestment een kritisch onderdeel is van een publiek debat over wat er met ons geld gebeurt. In die zin is divestment een onderdeel van een publieke en transparante conversatie over banken, pensioenfondsen en andere financiële spelers en de manier waarop we zelf ons geld investeren. Worden we een deel van de oplossing of versterken we het probleem? Dat gezegd zijnde, is het geen doel op zich. Het kan alleen maar een middel tot een doel zijn. Dat doel is eigenlijk net wel investeren:  in de infrastructuur, economie en samenleving die we willen. In overeenstemming met onze waarden en met hoop op een veerkrachtige duurzame economie.

Wij, de huidige generatie, zullen beslissingen nemen die bepaalde opties voor de volgende generatie gewoon totaal zullen uitsluiten. Dit is bijna ongekend in de geschiedenis van de mens. En dat is waarom ik vind dat de divestment-beweging legitiem is.

 

Tijdens uw afscheidsspeech als directeur van UNEP zei u dat in het laatste decennium het milieu tragedies, ommezwaaien en triomf zag. Evolueren we vandaag richting triomf?

Ik ben van nature een optimist. Anders zou ik niet in dit veld kunnen werken (lacht). Ik ben vandaag optimistisch over onze capaciteit om verandering mogelijk te maken in lijn met wat de wetenschap ons vertelt. Maar ik denk dat we nog steeds moeite hebben met een groot aantal factoren waardoor tijd onze grootste achilleshiel is in deze transitie. We hebben heel weinig tijd.

Op vlak van klimaat is het cruciaal dat zowel economische als politieke leiders er op gaan vertrouwen dat deze zeer snelle transitie werkelijk beheersbaar is. In essentie komt het er op neer dat we fundamentele verandering in sectoren als energie, transport en landbouw niet enkel vanuit een wetenschappelijke logica van emissies mogen verantwoorden. Je moet ook kijken naar de bijkomende voordelen. Bijvoorbeeld hoe uitstootvermindering biljoenen dollars aan gezondheidsvoordelen oplevert of ons in staat stelt om innovatie aan te zwengelen en nieuwe markten aan te boren. De logica om iets te doen aan klimaatverandering mag geen enkelvoudige logica zijn. Zo ben ik er van overtuigd dat een ecologische fiscale hervorming fundamenteel is. We zouden inkomensbelastingen kunnen reduceren en evolueren naar een belasting gebaseerd op vervuiling en de kost voor de samenleving.

 

Wat vond u persoonlijk een teleurstelling in uw tijd bij UNEP?

Op een bepaalde manier zijn succesverhalen niet altijd een puur succesverhaal. Op vlak van klimaatverandering hebben we een groot stuk van een decennium verloren bij de poging om een evenwichtig en effectief antwoord op het vraagstuk te formuleren. We moeten ons dan afvragen welke lessen we daar uit kunnen trekken. Want tijd zal het kostbaarste koopwaar vormen van de komende decennia.

Onlangs werd tijdens een bijeenkomst in Kigali een historische beslissing genomen in het kader van het Montrealprotocol (het verdrag voor de bescherming van de ozonlaag, nvdr.). Het merendeel van mijn tijd bij UNEP was ik betrokken bij de voorbereidingen voor deze beslissing. We waren er eindelijk in geslaagd om 190 landen samen te brengen en te laten kiezen om te doen wat juist is, in plaats van wat gemakkelijk is. Maar, dan vraag ik me toch af: ‘Hadden we dit sneller kunnen doen?’

Tot slot hielden nationale belangen ons tegen op vlak van de mariene ecosystemen en oceanen. We kunnen het functioneel belang van gezonde oceanen momenteel nog niet helemaal bevatten en waarderen. Het VN-zeerechtenverdrag was indertijd een doorbraak, maar staat tegenwoordig onder druk van nationale belangen met onder andere deepzeemijnbouw en exploitatie van natuurlijke rijkdommen. Dit is een voorbeeld van hoe multilateralisme enorm veel potentieel voor succes heeft, wanneer individuele belangen met elkaar verzoend kunnen worden, maar tegelijkertijd soms ook lijdt aan een ondraaglijke traagheid als het gaat over kiezen voor een nochtans overduidelijk noodzakelijke verandering van richting.

 

Hoe kan een individu ook een rol spelen in de verwezenlijking van verandering?

De individuele consument zal uitmaken dat deze transities, zowel politiek als economisch, onvermijdelijk zijn. Persoonlijk maak ik er een punt van om elk jaar naar het lokale kantoor van mijn bank te gaan en te zeggen dat ik geld wil investeren en dat ik overweeg om het bij hen te doen. Ik vraag de loketbediende om me sociaal verantwoord en milieuvriendelijk investeringsadvies te geven. Stel gewoon vragen. Ze zullen verslag uitbrengen en zeggen dat er meer en meer mensen hier naar vragen en ze hen niet kunnen adviseren. Daarnaast kan elk individu vandaag de dag geïnformeerde keuzes maken. Stem met je portemonnee. Maar tot slot is het belangrijk om je stem te gebruiken bij gemeenteraadsverkiezingen, sociale verkiezingen en parlementsverkiezingen. We moeten onze stem gebruiken om politici duidelijk te maken dat ze op dit vlak leiderschap moeten tonen. Elk individu heeft een aanzienlijke macht.

 

Achim Steiner

Achim Steiner stond van 2006 tot 2015 aan het hoofd van het VN-Milieuprogramma en was tevens VN-vice-secretaris-generaal. Daarna werd hij directeur van de Oxford Martin School, verbonden aan de Universiteit van Oxford. De Oxford Martin School doet multidisciplinair onderzoek naar oplossingen voor de uitdagingen van de 21ste eeuw, zoals klimaatverandering, migratie en ongelijkheid.

Wat vindt u van "‘Tijd is onze grootste achilleshiel’"?

Gelieve een comment te schrijven.

Gelieve uw naam in te geven.